Psychodiagnostiek en Eerstelijnspsychologie bij kinderen

Toen in de jaren veertig van de vorige eeuw dr. Kanner en dr. Asperger onafhankelijk van elkaar voor het eerst autisme beschreven, was dit een zeer zeldzame aandoening. Ze hadden het over 1 op de 40.000 kinderen. Dertig jaar geleden bestond de term ADHD nog niet, hyperactief gedrag werd toen toegeschreven aan hersenletsel en men noemde het minimal brain damage. Leesblindheid kwam altijd al voor, maar men ging er van uit dat leerstoornissen te maken hadden met een lage intelligentie. Hoogbegaafde en hoogsensitieve kinderen waren strebers of aanstellers. Nu lijkt het er op dat wij naar het andere uiterste zijn doorgeschoten.

Inmiddels is er een breed scala aan 'stoornissen', die ook hun weg hebben gevonden naar het dagelijks taalgebruik. In iedere klas zitten wel twee of drie leerlingen met een 'label op het voorhoofd'. Wat hierbij helaas vaak uit het oog wordt verloren, is dat er alleen van een stoornis gesproken mag worden wanneer er ook daadwerkelijk problemen zijn. Niet ieder druk kind heeft ADHD, niet ieder introvert jongetje heeft Asperger's Syndroom en niet ieder kind dat liever voetbalt dan leest is dyslectisch. Wanneer een kind zich anders ontwikkelt dan gemiddelde kinderen, is er niet automatisch sprake van een probleem. Er is in de natuur geen wezen met zo'n breed repertoire aan mogelijkheden als de mens.

Niet iedereen brengt dezelfde bagage mee en niet iedereen zal voor dezelfde uitdagingen worden gesteld. Daarom wordt in de ontwikkelingspsychologie niet uitgegaan van een 'norm' waaraan een kind moet voldoen om 'normaal' te zijn. Het belangrijkste criterium voor een psychologische of psychiatrische stoornis is niet of het gedrag van een kind afwijkt van dat van het gemiddelde kind, maar de mate waarin eventueel afwijkend gedrag problemen veroorzaakt. 

 

De Kinder- en Jeugdpsycholoog kijkt niet alleen naar het (probleem)gedrag, maar kijkt naar de hele lichamelijke, geestelijke, emotionele en sociale ontwikkeling van het kind. Hij plaatst het kindals individu binnen de sociale context van gezin en school en hij brengt in kaart welke invloeden er van buitenaf en van binnenuit meespelen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van betrouwbare en gestandaardiseerde psychologische tests, van gestructureerde interviews en indien nodig van observaties in de klas en thuis. Bij de beoordeling van de testuitslagen worden de opvoedingsstijl van de ouders, het voorkomen van bepaalde aandoeningen in de familie, eventuele pestproblematiek en andere schoolproblemen, het levensstadium (peuter, kleuter, kind, puber, adolescent) en allerhande andere omstandigheden meegewogen. Pas als met al deze factoren rekening wordt gehouden, kan er een advies gegeven waar zowel kind, ouders als school wat aan hebben.